NMvW



Zoekresultaat





1 treffers gevonden | ga naar nr.  

Besneden nap van kalebasschaal






Deze kalebasschaal is vermoedelijk een offergave die de slaven van de plantage Clifford Kocqshoven bij een grote kankantri-boom (Ceiba pentandra) hebben neergelegd. De schaal is met snijwerk van concentrische cirkels en een vogel versierd. De kankantri was een heilige boom voor de slaven en de marrons. Aan de geesten van die bomen werden offers gegeven. De plantage-eigenaar Van Breugel verhaalt in zijn 'Dagverhaal eener reis naar Suriname' dat ook de slaven van zijn plantages schaamschorten en kalebassen met voedsel als offergaven onder die boom legden. Van Breugel heeft zulke offergaven meegenomen naar Nederland. Op zijn collectielijst vinden we de twee objecten terug, die overeenkomen met de beschrijvingen van de offergaven in zijn 'Dagverhaal'. Daarom vermoedt Legêne dat juist in deze kalebasschaal voedsel is geofferd aan de geesten van de kankantri-boom.

Het object is een van twee kalebassen (H-2552 & H-2553) die met de kleine Suriname-collectie van Van Breugel opgenomen is in het Koloniaal Museum. Hier werd het object gescheiden van de documentatie en werd het een object, waar men niet meer van wist, waar het voor diende. Beide kalebassen werden toegeschreven aan de Marrons. Legêne wijst erop dat na de emancipatie van de slaven in 1871 in de volkenkundige collecties '… iedere relatie met slavernij verdween van objecten uit de slavernijcultuur zelf' (1998, p.386-387). Voor Legêne en Price zijn die kalebassen en de twee obia's van de plantage (H-2965 & H-2966, beide collectie in het Tropenmuseum) tevens een indicatie, dat de culturen van de plantageslaven en de marrons aan het begin van de 19de eeuw dicht bij elkaar lagen.

(Bronnen: Susan Legêne, De bagage van Blomhoff en Van Breugel, Amsterdam 1998, p.264-265 en Susan Legêne, "From broom to obeah and back" in: Patricia Spyer, 'Border fetishisms. Material objects in unstable spaces', New York & London 1993, 35-59, aldaar 43-46. Tekst: LM, 14 april 2009).

Datering
1823-1824
Afmetingen
circa 10 x 15 x 11,5cm (3 15/16 x 5 7/8 x 4 1/2in.)
Inventarisnummer
TM-H-2552

Rijpe kalebassen worden afgesneden van de bomen en in helften gesneden met een mes. De pulp wordt verwijderd met vingers of metalen lepel. Vervolgens worden ze gekookt zodat de laatste pulp gemakkelijk verwijderd kan worden. Met vingers en tanden wordt door vrouwen de kalebas glad gemaakt en vervolgens, nadat de motieven zijn opgetekend, worden figuren in de binnenkant gesneden met een stukje glas. Na een week in water te hebben geweekt, worden de kalebassen met ruw blad en zand geëffend, gedroogd in de zon en tenslotte ingewreven met halve limoenen, gespoeld en weer gedroogd (Price & Price, 1980: 152).
  • Catalogus der Nederlandsch West-Indië, tentoonstelling kalebassen en kalebaslepels, Haarlem, 1899. Susan Legêne, De bagage van Blomhoff en Van Breugel, KIT Amsterdam1998, blz.386 & 464. Susan Legêne, "From broom to obeah and back" in: Patricia Spyer, 'Border fetishisms. Material objects in unstable spaces', New York & London 1998, blz. 35-59, aldaar 43-46.

    Available in <a href="http://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Images_from_the_Tropenmuseum" target="_blank">Wikimedia Commons</a>.



duurzame link naar dit object  


   

NMvW